Een uur met Saskia Dekkers

Eén van mijn vroegste journalistieke herinneringen, misschien zelfs één van de jongste herinneringen uit mijn kindertijd, is een reportage van Saskia Dekkers vanuit Parijs. Het staat me nog helder voor de geest hoe de correspondente verslag deed van bommeldingen in Parijse metro’s waardoor ik, maanden later, het vertikte met mijn ouders de ondergrondse te nemen.

Daar bleef het niet bij. Mijn Nederlandse vader en Franse moeder giebelden vroeger vaak dat Saskia Dekkers een soort volwassen versie van mijzelf was. Zelfde voornaam, zelfde bos krullen (destijds), zelfde tweetaligheid. Om 20 jaar later met Saskia muntthee te drinken in een café in Amsterdam-Oost, voelt daarom behalve ontzettend cool ook een beetje vreemd. Onze ontmoeting is voor mij een beetje als het weerzien met een vage kennis, een bekende uit een ver verleden. Nog vreemder is dat ik zelf nu ook journaliste ben met – toeval of niet – een buitengewone interesse voor buitenland.

In 1993 verhuisde Saskia Dekkers naar Parijs, waar zij haar debuut maakte als buitenlandcorrespondent voor de NOS. Drie jaar geleden maakte ze de overstap naar het toen gloednieuwe televisieprogramma Nieuwsuur, waarvoor ze door heel Europa reist om reportages te maken over de crisis in Cyprus, jongerenwerkloosheid in Spanje en, hoe kan het ook anders, de Franse politiek.

Bonjour Paris!

‘Mensen zeiden tegen mij ‘je bent een echte journaliste’, en dat vond ik zó stom!’ Terwijl de treinen over het spoor langs het café denderen vertelt Saskia over haar jeugdjaren in een klein Limburgs dorp. ‘Ik zag journalistiek toen nog niet als iets leuks. Maar ik las heel veel en was nieuwsgierig naar alles.’ Saskia’s wereld reikte al op jonge leeftijd veel verder dan de provincie; ze verslond boeken van Jan Terlouw en Thea Beckman en droomde over een leven buiten de Nederlandse grenzen. Maar eerst: aan de studie, en wel aan de School voor Journalistiek in Utrecht. Het journalistenbestaan bleek toch niet zo ‘stom’ als eerder gedacht. Na haar opleiding ging ze aan de slag bij KRO Radio, om vervolgens te worden aangenomen bij de NOS waar ze een aantal jaren werkte voor het Jeugdjournaal.

En toen kwam die vacature. De vacature voor correspondent in Frankrijk die al een tijdje rondzwierf op de redactie van NOS maar nog niet was ingevuld. Saskia: ‘Ik dacht totaal niet aan mezelf. Ik had dan wel een Franse vriend en leefde in een Franse wereld, maar toch…ik vond het echt iets voor oudere mannen. Correspondenten wáren toen ook oudere mannen.’ Saskia was dan ook net zo beduusd als haar voorganger Philip Freriks (‘Hij vond het geloof ik een verbazingwekkende keuze’) toen zij was uitverkoren tot de nieuwe Frankrijk-correspondent. Hilversum werd verruild voor een nieuw leven in Parijs.

Na jarenlang Philip Freriks had je dus iets waar te maken?
‘Al vanaf het moment dat ik het nieuws hoorde heb ik mij als een gek gestort op de Franse politiek en economie. Mijn vriend en ik zouden een rondreis gaan maken door de Balkan, maar in allerijl hebben we een vriendin gebeld in l’Hérault (een departement in Zuid-Frankrijk, red.) waar ik iedere ochtend stapels Franse kranten doorspitte. Ik ben maar gewoon in het diepe gesprongen.’

Je bent uiteindelijk 16 jaar op die plek gebleven. Hoe heb jij jezelf ontwikkeld?
‘In het begin volgde ik het nieuws op de voet, maar beetje bij beetje bepaalde ik zelf de agenda. Op een gegeven moment zie je dingen aankomen en ontwikkel je een eigen politieke intuïtie. Ik zie het als een soort ui die je afpelt, laagje voor laagje. Je durft steeds dieper te gaan en kijkt vaker naar niet voor de hand liggende of moeilijke onderwerpen. De minder mooie kant van Frankrijk, bijvoorbeeld.’

En creatief? Hoe voorzag je reportages van jouw signatuur?
‘Ik probeer altijd te vinden wie werkelijk met een onderwerp te maken hebben – dat kunnen personen, maar ook bedrijven zijn, of een heel dorp. Hoe ingewikkeld het vinden van de juiste personen in Frankrijk soms ook was en hoe ver ik er ook voor moest rijden – ik vond dat het moest. Ik heb daar wel de tijd voor nodig gehad. Frankrijk is geen land dat je even in een paar jaar onder de knie hebt.’

Toch hanteert de NOS sinds een paar jaar een roulatiesysteem.
‘Ik vind zelf dat je het per persoon en per post moet bekijken. Er zijn mensen die na vijf jaar verveeld raken, dat voel je aan hun verslagen. De energie is eruit. Maar het is jammer als je het werk van een correspondent als een eenheidsworst gaat beschouwen; de wereld is niet overal hetzelfde. Je moet het per land bekijken, en niet zo star aan die vijf jaar vasthouden. Het gaat om het resultaat. Is iemand niet goed genoeg, moet ‘ie vervangen worden? Mensen zijn soms op de top van hun kunnen na vijf jaar. En dan haal je ze weg!’

In Europa

Na 15 jaar Parijs als standplaats begon Saskia na te denken over nieuwe mogelijkheden. Wisselen van correspondentenpost zat er niet in: ‘Ik had best nog wel een tijdje Frankrijk willen doen, want ik kon geen ander land bedenken waar ik liever wilde zijn. Ik zou dan hetzelfde werk doen, maar dan slechter.’ Toch wilden Saskia en haar vriend (en cameraman) Pieter over de Franse grenzen kijken, en droomden zij ervan om Europa al reizend te ontdekken. En zo gebeurde sneller dan gedacht: als bij wonder belde haar werkgever Nova twee weken later met het aanbod voor een Europabreed correspondentschap. Saskia: ‘Ik heb geen seconde getwijfeld, ik dacht alleen maar: alsjeblieft, laat het doorgaan.’ En het ging door: een jaar later ging Nova op in Nieuwsuur en verruilde Saskia haar veilige Frankrijk voor een heel continent.

Had je toen niet het gevoel dat je in elk Europees land weer opnieuw moest beginnen?
‘Jawel, en dat begon in Brussel. In het begin deed ik ook de Europese politiek. Een halfjaar hebben we daar gewoond, dat was na Frankrijk echt een cultuurshock. Ik vind het echt een ingewikkeld land, ook wat betreft journalistiek. Je komt in een soort cocon terecht waar autoriteiten en journalisten om elkaar heen draaien en waar je agenda al van tevoren is bepaald: je gaat van top naar briefing en weer van briefing naar top…’

Je verhuisde terug naar Frankrijk.
‘Ja, want de Europese Unie verslaan was niet te combineren met reportages maken vanuit de verschillende landen. Na zes maanden heeft Chris Ostendorf (EU-correspondent, red.) de taak volledig op zich genomen. Beide vormen van Europese journalistiek lijken totaal niet op elkaar, maar ze vullen elkaar wel goed aan.’

We zijn nu drie jaar verder. Ben je tevreden?
‘Ik heb Europa veel beter leren kennen, dit mede dankzij onze vaste correspondenten over het hele continent – dit zijn niet altijd Nederlanders, het kunnen ook Grieken of Portugezen zijn. Zij zijn echt mijn oren en ogen in de landen zelf.’

Welk verhaal staat je het meeste bij?
‘Dat zijn twee verhalen, beide over hoe hard de economische crisis de middenklasse raakt. Het ene verhaal maakte ik in Marokko, waar we hoogopgeleide Spanjaarden filmden die daar werken voor 300 euro per maand. Dat waren voor mij de eerste economische vluchtelingen. Ik maakte ook een reportage in Portugal, over een vrouw die voor twee gezinnen zorgt omdat haar kinderen werkloos waren geworden. We waren erg geschrokken, want het was een familie uit de middenklasse, ze waren daarvoor echt niet arm. En zij zijn zeker is geen uitzondering.’

Je bent nu 20 jaar buitenlandcorrespondent. Vind je de buitenlandjournalistiek veranderd?
‘Ik vind buitenlandjournalistiek in het algemeen echt verbeterd. Ik heb het gevoel dat veel meer jonge mensen zijn gaan reizen en veel makkelijker zijn gaan schrijven en filmen. En het is nu een stuk minder ingewikkeld om correspondent te worden. Je kunt met je computer en je videocamera naar welk land dan ook land gaan.’

Maar komt dat de kwaliteit wel ten goede?
‘Er zijn nu veel meer landen waar Nederlandse journalisten eerder niet zaten. Ik denk wel dat we daardoor meer verschillende visies hebben gekregen en dat vind ik een hele goede ontwikkeling.’

Wat kan er beter?
‘Ik denk dat het heel goed zou zijn wanneer mensen hun eigen verhalen maken en niet de kranten overschrijven. Omdat ik meerdere Europese kranten lees valt me op dat sommige journalisten heel makkelijk stukken van elkaar kopiëren of ideeën overnemen. Dat is een beetje makkelijk.’

Hoe deed jij dat in Frankrijk, zeker in het begin?
‘Mijn eerste twee jaar in Parijs waren ook niet mijn beste jaren, maar dat is volgens mij vanzelfsprekend. Maar hoe meer je belt en leest, hoe meer je op eigen ideeën komt. Na het lezen van de kranten belde ik vaak mensen die al waren geïnterviewd, en dan vroeg ik naar wat er bijvoorbeeld nog meer speelde. Zo vond ik altijd een andere invalshoek. Die is er grappig genoeg áltijd.’

Wat is jouw gouden tip aan jonge ambiërende correspondenten?
‘Dat je het altijd moet doen en geen seconde moet twijfelen. Je moet je wel goed voorbereiden, maar je nooit laten weerhouden door angst of onzekerheid. Er zijn zo veel manieren om correspondent te worden en er zijn zo veel interessante landen. In het begin verdien je misschien niet veel maar hoe langer je ergens zit, hoe meer opdrachtgevers je krijgt. Mensen weten je op een gegeven moment wel te vinden en je kan ook voor bladen schrijven die misschien wat meer gespecialiseerd zijn, zoals geschiedenistijdschriften of reisbladen.’

Hoe zie jij de toekomst voor jezelf?
‘Ook Europa is een ui die gepeld moet worden, ik ben nog maar een paar laagjes verder. Ik wil in de toekomst meer verbanden leggen, tussen landen en problemen.’

Wanneer kom je tot de kern?
‘Ik weet niet of je daar komt, maar het is wel een poging waard om zo diep mogelijk te graven in elk land. Waarheidsvinding is misschien een beetje pretentieus, maar het is wel waar ik naar streef. Ik wil dat iedereen die een reportage ziet over zijn land kan zeggen dat het klopt. Daarom vraag ik ook altijd of mensen die in mijn reportages waren om te kijken en vaak is de reactie dat ik het ‘echt laat zien zoals het is’. Dat vind ik een groot compliment.’

Welk deel van Europa wil je nog verder ontdekken?
Ik ben nu bezig met Scandinavië, daar zijn we naar verhouding nog maar weinig geweest. Maar eerst even vakantie. Thuis in Frankrijk en niks doen, niet reizen…het exotische is voor ons het niet weg zijn.’

Maar voor het zover is, doet Saskia in haar laatste week voor de vakantie een rondje Nederland. Na een uur praten moet ze gaan – Nieuwsuur wacht op haar. We haasten ons voor een snelle foto onder het spoor, en nog verblind door de flitsen lopen wij in snelle pas naar haar auto voor een nog sneller au revoir. Terwijl ik naar mijn fiets loop kan ik een huppeltje niet laten – even voel ik me weer als mijn vijfjarige zelf: zo blij als een kind.